Follow by Email

dinsdag 3 oktober 2017

Dagorder CDS nav Ontslag


DAGORDER CDS
 
Collega’s,
 
Vrijdag was ik bij de nabestaanden van Henry Hoving en Kevin Roggeveld. Lieve mensen die een verschrikkelijk verlies hebben geleden en dat nog iedere dag voelen.
Onverteerbaar en ook niet goed te praten.
Iedereen weet dat aan het werk van militair zijn soms grote risico’s kleven. Militairen kunnen door vijandelijk handelen sneuvelen.
Maar het mag nooit zo zijn, dat zij onnodig gevaar lopen door een gebrek aan goede spullen of door een gebrek aan training.
Militairen moeten hun werk goed en zo veilig mogelijk kunnen doen. Het ongeluk met Kevin en Henry laat zien, dat dat hier niet het geval was.
Het op missie sturen van militairen is een zwaarwegende politieke keuze die niet over een nacht ijs gaat. Een keuze die voor wat betreft de uitvoering wordt gemaakt op basis van het militair advies van de Commandant der Strijdkrachten.
Van mij dus.
Ik weeg daarin de risico's, de getraindheid van de eenheden, en de beschikbaarheid van de benodigde middelen. Op basis daarvan beoordeel ik de uitvoerbaarheid.
Daarbij baseer ik mij ook op de deskundigheid en adviezen van diverse andere autoriteiten binnen de Defensieorganisatie.
Zoals bijvoorbeeld de autoriteiten verantwoordelijk voor de munitieketen en de medische zorg.
Zo dragen velen bij aan een zo zorgvuldig mogelijk advies, en allemaal met het doel om onze mannen en vrouwen in de missiegebieden zo goed mogelijk te ondersteunen.
Geen van die mensen wil daar ook maar enig risico in lopen of gevaarlijke situaties veroorzaken voor onze uitgezonden militairen.
Pas als alle lichten op ‘groen’ staan, geef ik een positief advies.
Dat gold dus ook voor de missie in Mali.
Toch is er in dit geval een noodlottige situatie ontstaan door een combinatie van factoren.
Daar is het rapport van de OVV heel erg duidelijk over.
Als Commandant der Strijdkrachten - als militair adviseur en eerstverantwoordelijke voor de voorbereiding en uitvoering van missies - voel ik me daarvoor verantwoordelijk.
Naast deze uitvoerende verantwoordelijkheid trek ik me ook het harde oordeel van de voorzitter van de OVV aan, dat Defensie de uitvoering van missies boven de veiligheid van de mensen zou stellen.
Dat oordeel suggereert een bepaalde opzet of nalatigheid en heeft geleid tot twijfel aan de kwaliteit en de integriteit van het door mij gegeven militair advies.
Iets wat mij diep raakt omdat het onnodig op het spel zetten van de levens van mijn militairen wel het laatste is wat ik zou doen.
Ik heb als commandant in Uruzgan dagelijks zwaarwegende risico-afwegingen moeten maken.
Ik heb later de nabestaanden van gesneuvelde militairen begeleid tijdens hun bezoek aan Uruzgan. Ik weet dus donders goed wat er op het spel staat en wat de prijs van ons werk kan zijn.
Net zoals ik het belang heb leren inzien van een goede medische keten. Cruciaal voor het vertrouwen van mijn mensen.
En die belangen hebben in de afgelopen acht jaar daarna bij mij altijd voorop gestaan. Eerst als Directeur Operaties van Defensie toen ik de militaire adviezen voorbereidde en daarna als CDS toen ik de militaire adviezen gaf.
Voor mij stond een verantwoorde uitvoering voorop. Altijd.
Niet voor niets zijn er op basis van andere negatieve adviezen diverse missies vroegtijdig beëindigd of niet uitgevoerd.
Denk aan de terugtrekking van de Patriot-luchtverdedigingssystemen uit Turkije aan de grens met Syrië; Of aan de jachtvliegtuigen die de strijd tegen ISIS moesten staken; Of aan de special forces en de helikopters die we uit Mali hebben teruggehaald; Of aan de keer dat ik ‘nee’ moest verkopen toen er werd gevraagd om een schip op het hoogtepunt van de migrantencrisis.
Telkens weer een pijnlijk besluit. Maar bij mij geen aarzeling of twijfel, omdat de veiligheid van mijn mensen altijd voorop staat. Ongeacht politieke druk.
Wat mij eveneens diep raakte was de harde kritiek van de OVV op de medische keten.
Daarbij realiseer ik mij dat dit ook voor de OVV een lastig oordeel moet zijn geweest, omdat ze dit deel van het onderzoek niet op eigen waarnemingen en inspecties heeft kunnen baseren.
Maar ik heb het belang van een gedegen militaire medische keten vele malen ondervonden. Ik heb zelf mensen gewond zien raken en zelfs zien sneuvelen. Het is voor mij dan ook cruciaal dat mijn militairen moeten kunnen vertrouwen op goede medische zorg.
Zo'n medische keten bestaat uit honderden bevlogen specialisten, artsen, verpleegkundigen. Allemaal staan ze voor hun werk. Allemaal willen ze maar een ding; en dat is zorgen dat een adequate medische zorg gegarandeerd is.
Daar willen wij geen risico in lopen.
Niet voor niets besloten we om in Mali in eigen medische evacuatiecapaciteit te voorzien, toen bleek dat de VN dit voor ons niet afdoende kon invullen. En niet voor niets trokken we onze mensen terug uit de buitengebieden in Zuid-Soedan, toen bleek dat de medische ondersteuning door de VN voor ons niet adequaat was.
Daarbij moeten we ons tegelijkertijd realiseren dat je in de woestijn onder operationele omstandigheden geen academisch ziekenhuis mag verwachten.
Het gaat om een adequaat niveau van medische zorg dat zo veel mogelijk de Nederlandse civiele standaarden benadert.
Daartoe beschikt Defensie over een medische autoriteit en een inspecteur militaire gezondheidszorg. Hun advies is voor mij bepalend.
Onlangs hebben zij wederom een inspectie uitgevoerd in Kidal met een team deskundigen. Conform de aanbeveling van de OVV is een specialist in het team opgenomen. Dat inspectieteam beoordeelde het Togolese hospitaal als adequaat voor de toebedeelde taken.
Dat oordeel van de verantwoordelijke autoriteit is voor mij een uitgangspunt.
Al met al moet ik constateren dat hier een noodlottige, onveilige, situatie is ontstaan tijdens een missie die onder mijn verantwoordelijkheid wordt uitgevoerd.
Iets dat veel aanvullend leed heeft veroorzaakt bij de nabestaanden.
Ook moet ik constateren dat er twijfel is gerezen over de zorgvuldigheid van risico-inschattingen in het militair advies en zelfs over de integriteit van mij als militair adviseur - daar waar wordt gesteld dat ik missies boven veiligheid stel of dat ik te weinig tegengas zou bieden aan politieke druk.
Over dat militair advies en over mijn integriteit mag geen twijfel zijn.
Dat alles is voor mij dan ook de reden dat ik mijn functie met onmiddellijke ingang heb neergelegd.
Hiermee beëindig ik ook de bijna veertig jaar dat ik de samenleving als militair heb mogen dienen.
Veertig jaar waarvan ik tot op de dag van vandaag geen dag spijt heb gehad, in een geweldige organisatie met geweldige mensen.
Een organisatie die aan belang toeneemt, maar die er na 25 jaar van continue bezuinigingen niet goed voorstaat.
Bezuinigingen die hebben geleid tot grote beperkingen die we de afgelopen jaren ook heel transparant met de Kamer hebben gedeeld, en die ik als Commandant der Strijdkrachten de afgelopen vijf jaar elke dag voelde.
Ik heb ze niet alleen gevoeld, maar ook niet onder stoelen of banken gestoken. Ook in het openbaar ben ik daar altijd duidelijk over geweest.
Voor mij stond voorop dat het roer om moest. Dat we eerst moeten repareren wat kapot is en moeten versterken wat te zwak is en dat we onze krijgsmacht moeten vernieuwen en door ontwikkelen.
Voor mij stond en staat als een paal boven water dat we na 25 jaar afbraak weer moeten gaan investeren in de krijgsmacht, in de basisverzekering van ons land.
De krijgsmacht loopt op haar tandvlees en ondertussen neemt het beroep op de krijgsmacht alleen maar toe.
De grens van wat de krijgsmacht kan is allang bereikt.
Laat ik duidelijk zijn;
De verschrikkelijke incidenten van de laatste tijd zijn daar weliswaar geen direct gevolg van, maar het feit blijft dat de krijgsmacht enorm is beperkt in haar mogelijkheden.
Feit blijft dat ik iedere dag heb moeten puzzelen en prioriteren om de taken die we wél doen, ook verantwoord te kunnen doen.
Feit blijft ook dat we voor onze veiligheid volledig en meer dan ooit afhankelijk zijn van onze internationale partners in de EU en de NAVO.
En dan is het betreurenswaardig dat een land als Nederland een kwart minder bijdraagt aan die veiligheid dan de andere Europese landen.
Terecht constateren instanties als de ARK en de OVV dat de krijgsmacht voor een belangrijk deel draait op de loyaliteit en de can-do mentaliteit van het personeel.
Een mentaliteit die keihard nodig is voor het vereiste probleemoplossende vermogen laag in de organisatie, waar militairen onder moeilijke omstandigheden situationeel moeten kunnen handelen.
Tegelijkertijd moeten ook onder die omstandigheden de veiligheidsrisico’s goed zijn meegewogen.
Het doet mij vreselijk pijn om op deze manier te moeten vertrekken.
Ik had de krijgsmacht en mijn opvolger graag een betere doorstart en een beter perspectief meegegeven.
Maar de pijn die ik voel door de organisatie in deze staat te verlaten, staat in schril contrast tot de pijn van het verlies van deze twee gewaardeerde collega's, en de verwondingen van een derde betrokken militair.
En natuurlijk bovenal de pijn die de familie van Kevin en Henry nu nog steeds moeten voelen. In gedachten ben ik bij hen.
Ik spreek de hoop uit dat dit ook het moment is voor anderen om mijn opvolger verder in staat te stellen de krijgsmacht te repareren, en verder te bouwen aan een gezonde organisatie die berekend is op de vele veiligheidsrisico's om ons heen.
Ik hoop ook dat we er binnen Defensie in slagen de krachten beter te bundelen en gecentraliseerde diensten en verantwoordelijkheden weer dichter bij de operationele commandanten te brengen.
Ook om zo de Commandant der Strijdkrachten beter in staat te stellen te komen tot integrale afwegingen in zijn militair advies.
Verder hoop ik dat we kunnen bouwen aan een krijgsmacht die in Europees en NAVO-verband toch in ieder geval een evenredige bijdrage kan leveren.
Onze bondgenootschappelijke verantwoordelijkheid en afhankelijkheid is niet vrijblijvend.
Aan een krijgsmacht die draait om geweldige mensen die erkenning en waardering verdienen. En dus ook arbeidsvoorwaarden die passen bij het bijzondere werk dat van hun wordt verwacht.
Verder wil ik minister Hennis danken voor haar enorme betrokkenheid en haar grote vechtlust.
Samen hebben we vele beerputten open getrokken en ons niet verstopt voor alle problematiek.
Samen hebben we geknokt voor draagvlak en begrip, en keihard gewerkt aan oplossingen.
Ik heb haar ervaren als een strijder en als een minister die niet de andere kant op kijkt als er wat fout gaat.
Maar bovenal wil ik al die mannen en vrouwen bedanken die de krijgsmacht maken tot wat zij is.
Die bereid zijn hun leven te wagen voor onze veiligheid, en die dat met hart en ziel, en naar eer en geweten, doen.
Van Sint Maarten tot Irak, van Afghanistan tot Schiphol.
Mannen en vrouwen waar we trots op mogen zijn.
Mannen en vrouwen die we moeten koesteren en waarin we moeten investeren.
Mannen en vrouwen,
Ik dank jullie voor jullie enorme loyaliteit, doorzettingsvermogen en kameraadschap.
Het ga jullie goed.
 
Generaal Tom Middendorp
 

donderdag 16 april 2015

Flitsmacht

Tekst Gerard ten Voorde beeld ANP
Een nieuwe NAVO-flitsmacht staat in de steigers. Dinsdag gealarmeerd, donderdag gevechtsklaar. ”Noble Jump”. Alles om Poetin af te schrikken.
Donderdagochtend. Tweehonderd militairen, veelal van 11 Luchtmobiele Brigade in Schaarsbergen, treden aan op Vliegbasis Eindhoven. Wapens en munitie onder handbereik. De rode baretten –scherfvest aan– staan binnen 48 uur klaar voor inzet van de NAVO-flitsmacht. In Polen bijvoorbeeld. Of in Letland. Roemenië misschien.
Transportvliegtuigen wachten op het platform. Onder aan de vliegtuigtrap keren de militairen echter om. De flitsmachtoefening ”Noble Jump” met écht strategische verplaatsingen van mensen en materieel vindt pas begin juni in Polen plaats. Deze week is het nog een beetje droogzwemmen.
Paradepaardje Het Westen ziet zich –sinds de slag om de Krim– geplaatst voor een geheel nieuwe situatie. De NAVO staat vrij onverwacht oog in oog met een oude vijand. De Russische beer hanteert echter een nieuw type oorlogvoering. Een indirecte, heimelijke oorlog. Eentje via vage, maar zwaarbewapende separatisten bijvoorbeeld.
NAVO-strategen piekeren zich suf op een adequate reactie. Een van de antwoorden is de oprichting van een flitsmacht vorig jaar tijdens een top in Wales. Het nieuwe paradepaardje van het Noord-Atlantisch bondgenootschap –officieel de Very High Readiness Joint Taskforce (VHRJT)– moet binnen 48 uur inzetbaar zijn om NAVO-lidstaten bij te staan.
NAVO-landen in Oost-Europa vrezen het volgende slachtoffer te worden van Poetins grillen. De NAVO-flitsmacht moet daarom de Russen afschrikken. Het bondgenootschap onderstreept met de internationale oefening nog eens dat een aanval op één lidstaat een oorlogsverklaring aan alle NAVO-lidstaten is.
NAVO-topman Jens Stoltenberg bestempelt de nieuwe eenheid als „speerpunt” binnen de al bestaande snellereactiemacht, de NATO Response Force. Het is de bedoeling die reactiemacht uit te breiden van 13.000 naar 30.000 man.
Nederland, Duitsland en Noorwegen nemen het voortouw bij de interim-flitsmacht. De Nederlandse krijgsmacht stelt voor deze testfase ongeveer 200 manschappen beschikbaar, de Duitse en de Noorse defensie leveren 600 man. Uiteindelijk zal de NAVO-flitsmacht, die eind volgend jaar operationeel moet zijn, zo’n 5000 manschappen tellen. De Baltische staten, Polen, Roemenië en Bulgarije krijgen elk een militair steunpunt.
Tandeloze tijger De vraag is of zo’n flitsmacht afdoende is om de Russen af te schrikken. Kolonel b.d. Frans Matser, oud-directeur bij het NATO hoofdkwartier in Lissabon –dat wisselend met ‘Brunssum’ en ‘Napels’ leiding gaf aan de NATO Respons Force (NRF)– is er niet van overtuigd dat de nieuwe NAVO-flitsmacht een succes wordt. Ervaringen uit het verleden stemmen hem somber.
„Militair gezien is het invliegen van een flitsmacht niet zo moeilijk ”, stelt de oudkolonel. „Een paar bataljons of compagnieen kunnen er in twee, drie dagen staan.” De politieke besluitvorming in de NAVO-raad is echter vele malen complexer en dus trager. „Een zwak punt.”
Ook de financiën werken verlammend. De NRF is sinds de oprichting in 2003 slechts één keer ingezet, in 2005 bij de hulpverlening na een aardbeving in Pakistan. Na de uitzending volgde een gevecht binnen de NAVO over de financiën: wie betaalt het invliegen, legeren, voeden en bevoorraden.
Het NRF-verdrag bevat daarvoor een kort, maar cruciaal zinnetje. „Costs lie where they fall”, oftewel lidstaten die mensen en materieel leveren voor de inzet, draaien zelf volledig voor de kosten op. De NAVO-solidariteit kent haar grenzen.
De NATO Respons Force is daarmee „een tandeloze tijger” geworden, analyseert Matser. „De flitsmacht is eenzelfde lot beschoren, zolang de NAVO niet met een separaat budget komt voor financiering van de inzet.”
Geen indruk En dan nog is er de somberstemmende reactie uit Rusland. Poetin is „geheel niet” onder de indruk van de omvang van de nieuwe snel inzetbare NAVO-eenheid, verklaart dr. Marcel de Haas, Ruslanddeskundige en hoogleraar bestuurskunde aan Nazarbayev University in Kazachstan. „Poetin lacht hartelijk om een legertje van 5000 man, tegenover zijn steeds frequentere, grootschalige oefeningen met alle mogelijke wapentuig en wel 70.000 man.”
Desondanks gaat er van de flitsmacht wel degelijk afschrikwekking uit, stelt De Haas, oud-luitenant-kolonel. „De VHRJT is gebaseerd op artikel 5 van het NAVO-handvest: „Een aanval op één is een aanval op allen.” Op het moment dat er flitsmachtmilitairen sneuvelen, is de gehele NAVO in oorlog.”
Kolonel b.d. Matser, die onder andere acht jaar gelegerd geweest is in Seedorf, heeft daar zijn twijfels over. Hij wijst erop dat alléén de stationering van grote aantallen NAVO-troepen in Oost-Europese staten garanties biedt tegen agressie uit het oosten. „De zekerheid van die afschrikking is verdwenen.”
„Het legeren van een handjevol Amerikanen en drie Nederlandse F-16’s in OostEuropa bieden onvoldoende afschrikking”, vreest de kolonel b.d. „Ik heb daarbij grote twijfels of de NAVO bereid is daadwerkelijk in actie te komen als de Russen bijvoorbeeld ‘per ongeluk’ een jachtvliegtuig of een paar militairen zouden neerschieten.”
Matser is ervan overtuigd dat het Westen politieke kanalen –„het sturen van een boze brief”– zou verkiezen om z’n onvrede kenbaar te maken. „Politiek gezien zijn er voldoende middelen om door zo’n crisis te laveren.” De reacties na het neerhalen van vlucht MH17 met 298 passagiers aan boord spreken voor hem boekdelen.
De flitsmacht is daarom volgens Matser vooral symboolpolitiek. „De NAVO probeert de Baltische staten, Polen, Hongarije en Roemenië met de flitsmacht een gevoel van veiligheid te geven. De NAVO biedt slechts schijnveiligheid.”
Zou een NAVO-reactie inderdaad uitblijven, dan staat de geloofwaardigheid van het NoordAtlantische bondgenootschap op het spel. De flitsmacht is volgens De Haas daarom „een lakmoesproef” voor het bondgenootschap. „Mocht de NAVO niet reageren op een Russische inval in bijvoorbeeld de Baltische staten, dan kunnen we de organisatie wel opdoeken.”
De vraag is wat de verstandigste houding is van het Westen tegenover de nieuwe, agressieve houding van Rusland. NAVO en EU moeten „krachtig, standvastig en eenduidig” optreden tegenover de verdeel-en-heerspolitiek van Poetin, stelt luitenant-kolonel b.d. De Haas. „Poetin rekent niet in diplomatie en compromissen, maar in kracht. Dat realiseert het Westen zich te weinig.”
Volgende slachtoffer Deskundigen speculeren druk over de vraag of bijvoorbeeld Estland, Letland en Litouwen mogelijk het volgende slachtoffer zijn van de geldingsdrang van Poetin. De Haas verwacht niet dat de Russen de Baltische staten, die volledig deel uitmaken van NAVO en EU, zullen binnenvallen.
Voor Oekraïne, Georgië, Azerbeidzjan en Moldavië ligt de situatie wezenlijk anders. „Rusland probeert die ervan te weerhouden zich bij het Westen aan te sluiten. Poetin blijft stoken in die landen, omdat hij weet dat de EU en de NAVO geen behoefte hebben aan nieuwe lidstaten met onrust.”
Poetin staakt zijn gestook volgens De Haas pas als Oekraïne, Georgië, Azerbeidzjan en Moldavië zich volledig aansluiten bij het Westen. De Ruslandkenner pleit daarom voor het scheppen van duidelijkheid. „Poetin blijft stoken in zijn buurlanden zolang de politieke mist in het Westen over hun toekomst blijft hangen.”

© Reformatorisch Dagblad | Pagina 18 | 11 april 2015

maandag 1 december 2014

Nieuwe Taken

‘Mannen, mond dicht en luisteren!’
Het geluid van tientallen opgewonden stemmen ebt langzaam weg na de op luide toon door de chef staf geslaakte kreet. De besnorde kolonel maakt front naar zijn baas en meldt op krachtdadige toon: ‘Generaal, de brigadestaf is compleet aanwezig, evenals de vertegenwoordigers van de marine en de luchtmacht, met uw permissie beginnen we met de bevelsuitgifte. Wilt u vooraf nog iets zeggen?’ De bulderstem van de kolonel dringt helemaal door tot achterin de zaal, waar tientallen subalterne en hoofdofficieren in gevechtstenue eerbiedig naar het podium staren.
De generaal zit ogenschijnlijk ontspannen op een gerieflijke stoel op het podium en kijkt met een beschouwende blik door de zaal. Dan, na een paar broze seconden stilte, verheft hij zich. Hij is nog jong voor een opperofficier, een stuk jonger dan de kolonel. Hij geldt als de coming man van de landmacht. Amerikaanse krijgsschool, commandofuncties bij diverse uitzendingen en een master in politicologie. Met zijn volle bos donker haar, gladgeschoren gezicht en licht grijzende slapen heeft de generaal wel wat weg van James Bond. De jonge Sean Connary versie he, niet Roger Moore ofzo.
De generaal laat kennelijk achteloos nog een paar seconde stilte heersen, voor hij op rustige, accentloze toon het woord neemt. In die paar seconden – die een eeuwigheid lijken te duren - glijdt zijn blik over de verzamelde officieren en vrijwel iedereen in de zaal heeft het gevoel dat de generaal even oogcontact met hem of haar zoekt. De spanning is nu te snijden.
‘Mannen en vrouwen van de brigade’ zegt hij. ‘Gewaardeerde collega’s van de andere krijgsmachtdelen. Wij zijn hier vandaag bij elkaar om een van de moeilijkste klussen voor de defensieorganisatie van het jaar te klaren!’
‘U weet allemaal waar het om gaat, u weet allemaal wat er op het spel staat, en  we weten allemaal dat deze operatie ook dit jaar weer niet zonder slachtoffers zal verlopen.’
De generaal richt zich in zijn volle lengte op en loopt met soepele tred over het podium. Hij stopt abrupt bij de rand. ‘Daar buiten wacht de vijand!’ Hij ondersteunt zijn dramatisch uitspraak met een krachtig armgebaar. Zijn gestrekte vingers wijzen priemend in de verte. Hij wacht tot alle ogen op zijn rechterhand zijn gericht. Dan krommen de vingers zich langzaam en vormen een gebalde vuist. Hij slaat die vuist even plotseling als krachtig in zijn ander hand.
‘Wij zullen al onze mensen, al onze uitrusting en al onze ervaring nodig hebben om deze dag tot een goed einde te brengen. En laat voor iedereen duidelijk zijn: dit is een Joint operatie!’  Hij laat opnieuw een dramatische stilte vallen. Dan hervat hij z’n betoog.
‘De collega’s van de marine zullen de landingsvaartuigen tot aan de kade begeleiden met fregatten en onderzeeërs. Ze zijn professionals en hebben dit maanden geoefend. Ik ben ervan overtuigd dat ze iedereen veilig aan land krijgen en de mariniers zullen de landingsvaartuigen met alles wat ze hebben beschermen tot de operatie is afgelopen. De collega’s van de luchtmacht zullen boven zee en boven land met zes Apaches beveiligen. Speciaal voor onze vliegers is een refueling point ingericht door de mensen van de logistiek. Onze heli’s kunnen daar binnen tien minuten brandstof en munitie aan boord nemen en direct daarna weer in de lucht zijn. We zullen ze klok-rond hard nodig hebben. Denk daaraan.
Maar het moeilijkste deel van de operatie zal de ontscheping en daarna de verplaatsing over land zijn. In die fase zijn we kwetsbaar en ik vraag u met klem zich dat goed te realiseren. Onderschat de vijand niet! Onze tegenstanders zijn vastberaden en zullen zonder enige twijfel trachten onze operatie te verstoren. Ze zullen net als in de afgelopen jaren, geen middel onbeproefd laten om ons cordon te doorbreken. Het is de komende uren van het grootste belang dat elke soldaat zijn opdracht kent maar ook dat elke soldaat van de Taskforce mijn intenties met deze operatie begrijpt. En bedenk goed… ik weet dat u er alles aan zult doen om uw mensen bij elkaar te houden, maar de ervaring van de afgelopen jaren leert ons dat we niet moeten uitsluiten dat delen van onze strijdmacht geïsoleerd raken en dat hackers er ook dit jaar weer in slagen onze verbindingen en computers te storen. Houd rekening met het ergste!
Iedere compagnie en ieder peloton zal zelfstandig in staat moeten zijn het gevecht met beide vijandelijke groeperingen aan te gaan en deze – zonder aanziens des persoons – buiten gevecht te stellen. Ongeacht uw eigen gevoelens in deze zaak…’
De generaal laat weer een lange stilte vallen. Je kunt nu echt een speld horen vallen. Zijn blik glijdt weer door de zaal en hij kijkt stuk voor stuk naar zijn ondercommandanten. In Afghanistan en Irak geharde veteranen. Hij lijkt de vastberadenheid in hun ogen te peilen. Hij hervat: ‘Special Forces zullen de Sint van dichtbij beveiligen. Alle Pieten zijn dit jaar speciaal door het KCT getraind. Iedereen draagt kogelwerende vesten en in alle zakken zit, naast pepernoten, reservemunitie voor het geval u zonder komt te zitten. Volgens de inlichtingendiensten zullen de tegenstanders van Zwarte Piet direct na de landing proberen om de Sint als reactionair racistisch symbool te ontvoeren of te doden. De tegenstanders van de Gekleurde Pieten zullen hoogstwaarschijnlijk proberen de Bushmaster, waar we de sint in vervoeren, met een IED tot stoppen te brengen. Overste…’ Hij kijkt nu indringend naar de commandant van het geniebataljon. ‘Uw mannen weten wat hen te doen staat.’ De generaal slaat plotseling met vlakke hand op de tafel. De klap dreunde door de zaal als de inslag van een tankgranaat. ‘Ik duld geen onderscheid! Zowel de Zwarte als de Gekleurde Pieten dienen door ons met dezelfde toewijding te worden beveiligd’
Niemand in de zaal twijfelt nog: wat daarbuiten gaat gebeuren is serious business. Met een wijds armgebaar brengt de generaal alle aandacht weer bij zichzelf.
‘Mannen en vrouwen van Taskforce Sinterklaas, het geluk van miljoenen kinderen en hun ouders ligt in uw hand! Ik kan u voor de komende dagen niets anders beloven dan bloed, zweet en tranen, maar ik weet dat u deze offers kunt en wilt brengen voor de rijke culturele tradities van ons vaderland.’
En na aan laatste vastberaden blik door de ruimte: ‘ons motto voor dit jaar: Laat het kinderfeest beginnen!’
Uit de zaal stijgt een klaterend applaus op.
‘Kolonel, u kunt nu met de bevelsuitgifte beginnen!’
(uit Militaire Spectator Jaargang 183 nummer 11-2014)

vrijdag 25 april 2014

200 Jaar

De landmacht heeft een lange traditie, waarbij - met name in de vorige eeuw - de gevechtsvorm van het vertragend gevecht domineerde. Hoe heeft al dat vertragen de jonge officieren van toen mentaal gevormd? De subalterne officieren van toen zijn immers de generaals van nu. Een parallel tussen het vertragend gevechten van toen en strijd tegen de bezuinigen van nu, is mij eigenlijk pas de laatste jaren opgevallen.

Voor ik die vraag beantwoord even wat achtergrond over het vertragend gevecht voor de collegas van Marine en Luchtmacht  die altijd een beetje moeten lachen om de landmacht met zijn traditie van tweehonderd jaar handleidingen en voorschriften.

Het vertragend gevecht is een gevechtsvorm waarbij onder vijandelijke druk terrein wordt prijsgegeven, om tijd te winnen. Tegelijk proberen we de vijand zo veel mogelijk verliezen toe te brengen en niet gebonden te raken. Zoals sommigen zich nog herinneren uit de goede oude tijd, was de bedoeling dat we de Russen en hun vrienden, die in grote aantallen oost van het Elbeseite-kanaal bivakkeerden, zouden ophouden tot de Amerikanen en andere bondgenoten ons een handje kwamen helpen. Daartoe werden verdedigingsstroken ingericht die de vijand moesten dwingen tot tijdrovend ontplooid optreden. Als de geachte opponent dan ter vermeestering van onze posities, ontplooid ten aanval trok, probeerden we hem zoveel mogelijk schade toe te brengen gebruik maken van vooral lange dracht systemen (tank, anti-tank en krombaan). Als de vijand tenslotte met zware verliezen tot vlak bij onze opstellingen zou zijn gekomen, trokken wij ons, onder bescherming van dekkingsvuur en artillerie, als de wiedeweerga terug naar een nieuwe verdedigingsstrook die een aantal kilometers verder naar achteren was gelegen. Daar proberen we het spel dan te herhalen. In theorie zou de vijand zo zwaardere verliezen lijden dan wij en zouden we ruimteruilen voor tijd. Die tijd was nodig om onze Amerikaanse bondgenoten in te vliegen. Als die er eenmaal waren, zouden we samen het initiatief hernemen en de door ons deskundig verzwakte vijand stoppen en verslaan. Onze tegenaanval zou, volgens een optimistisch scenario, dan tot het herwinnen van het verloren terrein leiden en zo konden we de West-Duitse grenzen en de wereldvrede herstellen. Aldus in een notendop de NATO Koude Oorlog doctrine.

In Nederland hoopten wij natuurlijk allemaal vurig dat dit omkeermoment  in de strijd zich zou voordoen voordat de oprukkende Sovjets de Nederlandse grens hadden bereikt. We zijn er gelukkig nooit achter gekomen of dat een realistische wens was. Kind van de rekening bij deze tactiek waren natuurlijk onze oosterburen geworden, in wier achtertuin nogal wat schade zou zijn ontstaan als wij, samen met onze geachte opponent, al rollebollend met tienduizenden pantservoertuigen eerst van oost naar west en daarna in omgekeerde richting, door het land zouden trekken. Gelet op de Duitse historie, vonden de meeste Nederlanders dat in de vorige eeuw heel acceptabel. Tot zover deze militair-historische opfrisser.

Als we de taak-middelen discussie sinds de val van de muur volgen, dan zien we eigenlijk dat onze huidige generatie generaals (groot geworden met het vertragend gevecht)  nog steeds teruggrijpt op dezelfde tactiek. Vervang ruimte door budget en klaar is de vergelijking.

Dat gaat ongeveer als volgt: politici openen op gezette tijden de aanval op de defensiebegroting. Generaals putten zich uit in tal van argumenten waaruit moet blijken dat nieuwe bezuinigingen echt onmogelijk zijn. Het legerkorps is onmisbaar, de divisie is onmisbaar, de tank is onmisbaar! Het land is in gevaar, er is geen vet meer op de botten, de bodem is bereikt! Maar als de politici hun aanval op volle sterkte ontplooien, trekken onze generaals hun krachtige bezwaren - natuurlijk alleen achter gesloten deuren geventileerd - in en maakt de  legerleiding op het laatste moment een acrobatische draai. Vervolgens trekken we ons een paar honderd miljoen euro terug, om ons daar in een nieuwe verdedigingslinie in te graven. Nieuwe veiligheidsanalyses, nieuwe absolute minima en nieuwe defensiestructuren komen in zicht. Een bij de huidige tijd (en budgetten) passende, kleinere, maar altijd weer moderne(re) krijgsmacht, is wat ons steevast in het vooruitzicht wordt gesteld. Prachtige vergezichten worden door de bewindslieden geschetst, waar steevast tegenover forse bezuinigingen ook (kleine) beleidsintensiveringen worden  gepresenteerd. Maar een paar jaar later is deze nieuwe weerstandsstrook in de vorm van een moderne, betaalbare en toekomstvaste krijgsmacht plotseling opnieuw onbetaalbaar geworden en doelwit van het hernieuwde bezuinigingen. Het keiharde spel herhaald zich dan opnieuw. Want, net als in het verleden met de schier onuitputtelijke Warschaupact divisies, hergroepeert het bezuinigingsspook naar iedere aanval, en hervat zijn opmars korte tijd later met nieuwe energie.

En de hulp van bondgenoten? Daar begint de vergelijking mank te gaan. Recentelijk wierpen een paar kleine oppositiepartijen zich, koesterend in het licht van hun meerderheid in de Eerste Kamer, even op als de langverwachte bondgenoten. Een klein succesje, maar zeker geen herstel van verloren terrein zoals de doctrine ons dat beloofde. Een stapje minder terug, dat wel. De realiteit is dat er verder weinig bondgenoten in beeld zijn. De vraag is dan onvermijdelijk: hoeveel geld valt er nog te ruilen voor tijd?

Ik schat nog twee miljard. Dan staan er op de defensiebegroting alleen nog pensioenen en wachtgelden (van al het afgevloeide personeel) en nog wat klein, maatschappelijk handige en onvermijdelijk spullen. De marechaussee, de saluutbatterij, wat schepen voor vlagvertoon, wat transportvliegtuigen en helikopters, de explosieven opruimingsdienst en wat handige speeltjes waar politie en samenleving met het oog op de binnenlandse veiligheid nog een beetje brood in zien. Oh ja, en wat genie, wat drones een paar duizend reservisten. Een functioneel operetteleger.

Geen leuk vooruitzicht, maar op termijn de harde realiteit. Terugkijkend op de afgelopen twintig jaar, is tweehonderd jaar ervaring in het voeren van het vertragend gevecht onze generaals dus toch goed van pas gekomen. Maar het zal naar het zich laat aanzien de krijgsmacht uiteindelijk niet redden. Het punt waarop de defensieorganisatie als gevechtsmacht zal zijn ontmanteld, is door deze historische vaardigheid van onze generaals wel met enige tientallen jaren naar achteren verschoven maar, niet meer dan dat.

Oh ja, er is natuurlijk nog een verschil met het scenario van het vertragend gevecht. Er vallen gelukkig geen slachtoffers. Althans geen doden en gewonden. Hoe we de militairen en burgers noemen die de komende jaren door alle bezuinigingen hun werk gaan verliezen zegt u het maar. Collateral damage? En tenslotte de hamvraag, hoe loopt het af met het kleine, schatrijke landje dat anderen graag de maat neem vanaf de overvolle bagagedrager van supermacht Amerika? Een lekker vet hapje voor de poes als we er ooit afvallen? Of zal er zich de komende  200 jaren nog een deus ex Magina voordoen? Wat denkt u?

Gepubliceerd in Militaire Spectator Jaargang 183 nummer 4, april 2014.

Frans Matser